
.
Voor het laatst bijgewerkt op;
25.02.2012 12:26
Met Middeleeuwen wordt de periode aangeduid in de
Europese geschiedenis tussen grofweg 400 en 1500 na Christus.
-
Begin en einde
van de Middeleeuwen.
Afhankelijk van de invalshoek zijn meerdere begin- en einddata te geven
voor de Middeleeuwen.
Politiek wordt 476, met de val van het West-Romeinse Rijk genomen.
Uit een economisch en sociaal standpunt wordt 375, met het begin van de
volksverhuizingen die voedseltekorten in de steden veroorzaken.
Politiek/religieus wordt 312, het jaar waarin het Christendom een
toegestane godsdienst werd in het Romeinse Rijk, wel eens als beginpunt
genomen.
Het einde van de Middeleeuwen is even goed debateerbaar:
Het einde van de Middeleeuwen valt politiek gezien in 1492, de
ontdekking van Amerika luidt een periode van kolonisatie in
Eveneens als politiek einde kan 1453, de datum van de val van het
Byzantijnse Rijk worden gezien.
Op sociaal vlak wordt ook wel eens 1517 genomen, het jaar van de breuk
tussen protestantse en rooms katholieke kerken (stellingen van Maarten
Luther.
-
De 3 periodes.
-
Vroege of donkere Middeleeuwen: 5e eeuw-9e eeuw,
worden gekenmerkt door kleine alleenstaande vorstendommen en
verschillende invasies van steppevolkeren. De vroege Middeleeuwen
eindigen bij het rijk van Karel de Grote die de feodaliteit
introduceert. Onder de vroege Middeleeuwen wordt over het algemeen
verstaan: de periode van circa 470 tot 911; de geschiedenis van
Europa na de ineenstorting van het West-Romeinse Rijk. Soms wordt
ook de term duistere Middeleeuwen gebruikt omdat, door de chaos die
veroorzaakt werd door de vele invasiegolven van de op drift geraakte
volkeren, er weinig op schrift gesteld werd en ook veel informatie
verloren ging. Hierdoor is nog veel 'duister' wat de precieze gang
van zaken betreft. Ook de algemene achteruitgang van de bevolking en
levensstandaard, in vergelijking met het Romeinse verleden, wordt
over het algemeen gezien als een duistere periode, die pas
geleidelijk eindigde bij de consolidatie van de toestand door Karel
de Grote.
-
Hoge of volle Middeleeuwen: 9e eeuw-13e eeuw, worden
gekenmerkt door het belang van de feodale structuren en een
verandering in het erfrecht waardoor de alleenstaande vorstendommen
zich beginnen uit te breiden zowel door oorlog als door huwelijken.
De Europese rijken richten zich buiten Europa voornamelijk op het
Midden Oosten onder de vorm van kruistochten. De hoge Middeleeuwen
zijn een belangrijke periode in de geschiedenis van West-Europa. In
de wetenschap kwam de scholastiek op. In deze periode bloeide ook
het Pausdom op ongekende wijze. Er was een lang gevecht om wie het
hoogste gezag in Europa moest krijgen: de Kerk of de aristocratie.
Dit noemt men de Investituurstrijd. In Duitsland regeerde het
Saksische huis met onder anderen Hendrik I, Otto I, en Otto III,
later het Frankische huis met onder anderen Hendrik III en Hendrik
IV. In Frankrijk oefende Hugo Capet invloed. In Engeland trad Willem
de Veroveraar op.
Na het jaar 1000 kwam er meer stabiliteit in het middeleeuwse
Europa. Aan de invallen van de Vikingen, die lange tijd Europa
teisterden, was een eind gemaakt. In Spanje werd de Reconquista
ingezet, het terugdringen van de Moren uit Spanje. Door de
verbeterende landbouwmethoden begon de bevolking flink toe te nemen.
Talrijke nieuwe dorpen en steden werden gesticht. De bestaande
meestal door de Romeinen gestichte steden begonnen na het verval
sinds de Romeinse tijd ook weer te groeien. Eveneens kwam de handel
over lange afstand opnieuw op gang. Zie bijvoorbeeld de reis van
Marco Polo naar China. Vooral Noord-Italië en het graafschap
Vlaanderen groeiden in korte tijd uit tot rijke gebieden. Vanaf 1080
ontstonden de eerste universiteiten en was er een grote vooruitgang
in kunst en architectuur. In deze periode werden de grote Romaanse
en later Gotische kathedralen gebouwd. Door de toenemende welvaart
konden de rijkste en machtigste steden stadsrechten afdwingen bij de
aristocratie.
-
Late Middeleeuwen: 13e eeuw-15e eeuw. De kennis
meegebracht uit de kruistochten en opgedaan in de strijd tegen
Arabische invallen in Spanje brengt een langzame overgang naar de
Nieuwe Tijd. De Europese rijken richten hun aandacht buiten Europa
op het Oosten. Door de opkomst van rijke steden verminderd de greep
van het feodale systeem. Langzaam groeide ook de centrale macht ten
nadele van de kleine heren. Er ontwikkelden zich langzaam sterke
monarchieën zoals Frankrijk en Engeland. Door verschillende oorlogen
(zoals de Honderdjarige Oorlog) en de pest viel in de 14e eeuw de
economische groei stil. Door de grote sterfte kwam er een gebrek aan
landarbeiders en arbeidskrachten. Volgens sommige onderzoekers was
dit een sterke stimulans om mechanische (en arbeidsbesparende)
verbeteringen door te voeren in de landbouw en in ambachten als
mijnbouw en metallurgie. Hiermee werd de weg bereid voor de Nieuwe
Tijd, waarin de Europese (westerse) beschaving zich over de rest van
de wereld verbreidde.
Kruistochten zijn militaire tochten die veel voor kwamen
in de Middeleeuwen. Kruistochten zijn vernoemd naar het 'kruis'. Veel
ridders uit allerlei landen hadden een rood kruis op hun rechterschouder
staan. Dit droegen zij als teken dat zij wilden vechten voor het
Christendom. De ridders die mee deden aan een kruistocht kwamen uit
Europa en gingen naar Palestina. Het doel van die kruistocht was om
Jeruzalem te bevrijden. Jeruzalem lag toen in de handen van de
Islamitische Turken. De eerste kruistocht begon in 1096. Iedereen die
het maar wilde mocht meedoen. Zo deed niet alleen het gewone volk mee
maar er liepen ook priesters, vorsten en bisschoppen mee. Ook moeders en
kinderen liepen mee in deze tocht. Er waren twee goede redenen om mee te
lopen met deze kruistochten. Ten eerste deed je mee om Jeruzalem te
bevrijden. De tweede rede was omdat als je meedeed alle schulden die je
had vergeten werden. Dat betekende als je ooit iets strafbaars had
gedaan of je had geldschuld, dan werd het vergeten. Je hoefde niet meer
naar de gevangenis en je schulden ook niet meer terug te betalen. Aan
deze tocht deden wel meer dan 80.000 mensen mee! Helaas en zeer
verdrietig zijn al deze mensen die meededen overleden tijdens de tocht
of vlak voor de eindbestemming. Ze werden gedood door de Turken. De hoop
om Jeruzalem te bevrijden werd niet opgegeven. Daarom werd er nog een
keer een kruistocht georganiseerd. Er deden ongeveer 60.000 mensen mee
aan deze kruistocht. Deze tocht ging veel beter. Er deden veel meer
ridders en andere sterke legers mee. Dit keer lukte het wel. Jeruzalem
werd bevrijd. De heilige stad Jeruzalem was weer vrij en nu konden er
ook weer pelgrimstochten worden gemaakt. Na die tweede kruistocht zijn
er nog meer kruistochten gehouden. Die kruistochten werden allemaal
gehouden om een land of een plaats te bevrijden. Tijdens kruistochten
werden veel mensen gedood. Er waren vaak zware gevechten tijdens deze
kruistochten. Als je al levend aankwam bij de plek waar je wilde zijn
moest je nog voor je leven vechten. Een kruistocht was heel gevaarlijk
en vooral ook heel zwaar.

Ridders waren soldaten die heel erg trouw waren aan hun heer of koning.
Aan hun heer of koning moesten ze plechtig beloven altijd klaar voor hen
te staan en hen te helpen in tijd van nood of oorlog. Pas in de achtste
eeuw kan van ridders gesproken worden, zoals men die meestal voor ogen
ziet. Pas dan is er een feodaal stelsel ontwikkeld waarin een klasse van
beroepssoldaten kan worden gevormd, een militaire macht die voortdurend
paraat is om de veelvuldige bedreigingen het hoofd te bieden. Als ridder
begon je vaak heel vroeg met je opleiding en training.
Was een page veertien jaar, dan
werd hij schildknaap. Dat betekende dat hij een ridder moest helpen,
bijvoorbeeld met het aantrekken van het harnas. Maar ook bij het
vechten. Als de ridder gewond raakte, moest de schildknaap hem
verzorgen. Of, als het nodig was, dan moest hij hulp halen. Verder was
het zijn taak de paarden en de honden te verzorgen, wapens te poetsen en
te repareren en alles te weten over de jacht. Als je vier jaar
schildknaap was geweest dan kon je ridder worden.
Voordat het zover was, moest de
schildknaap de hele nacht opblijven. Dat was de nachtwake. Viel de
jongen in slaap, dan was hij nog niet geschikt om ridder te worden.
Maar hield hij het vol dan werd hij met een zwaard tot
ridder geslagenDit gebeurde door
een edelman, die meestal de nieuwe baas van de ridder was.
De nieuwe ridder moest knielen, en de edelman legde dan het zwaard
plechtig, met de platte kant, op de linker- en rechterschouder van de
schildknaap. Het slaan tot ridder werd ridderslag genoemd.
Als je na de ridderslag opstond,
was je bevorderd van schildknaap tot ridder. Het zwaard kreeg hij dan
normaal cadeau en werd er feest gevierd. Als nieuwe ridder kon je
een zwaard en gouden sporen dragen. Zo kon iedereen zien dat je een
ridder was. De eerste ridders vochten in maliënkolders. Dit was een
soort pak dat van kleine ringetjes gemaakt was. Het materiaal was
buigzaam en bedekte alles heel goed. Maar het pak bood niet genoeg
bescherming, want een pijl of ander wapen kon er zo doorheen gaan. Vanaf
het eind van de 13de eeuw gingen de ridders zich bedekken met stalen
platen. In de volgende honderd jaar werden er steeds meer platen
toegevoegd. Wilde je als ridder niet zo snel gewond raken in een
veldtocht dan was het van groot belang dat je een goed harnas had. Een
goed harnas was vaak heel duur om te kopen. In heel Europa maakte men
wapenuitrustingen, maar de beste kwamen uit Italiaanse steden zoals
Milaan of Brescia, maar ook in de Zuid-Duitse steden zoals Augsburg of
Neurenberg. Daar was het makkelijk om aan ijzererts en houtskool te
komen. Hoe ging men nu te werk? Men hamerde stukken ijzer tot platen en
in model geknipt. Daarna werden ze op aambeelden in de goede vorm
geslagen. Dan werden ze gehard in het vuur om tenslotte gepolijst te
worden met stro en linnen. Niet alle wapens konden natuurlijk
tegelijkertijd gebruikt worden in het
gevecht. Ieder wapen had zijn eigen functie. De mannen vooraan in
de groep gebruikten meestal pijl en boog. Zo nu en dan schoot men ook
wel eens pijlen met vuur naar de vijand toe. Dit was meestal het teken
om de strijd te beginnen. Vervolgens had je de ridders met hun lans die
ze konden gebruiken om de vijand van zijn paard af te stoten. Daarnaast
had je ook ridders die vochten met zwaarden, knotsen, speren en bijlen.
Deze wapens werden meestal gebruikt om te voet tegen de vijand te
vechten. Pijlen met ijzeren punten
waren ook dodelijke wapens. Ze werden afgeschoten met een handboog of
kruisboog. Met een kruisboog kwamen ze wel 300 meter ver. In 1500
toen het kanon en het kruid zijn intrede deed waren kastelen niet meer
te verdedigen en waren ridders niet veilig in hun harnas. Hierdoor
werden er voortaan in plaats van sterke kastelen en sterke harnassen
mooie paleizen gebouwd en mooie kleren gedragen.
Van ridders werd niet alleen verwacht dat ze goede
strijders waren maar ook werd er verwacht dat ze eervol, rechtvaardig en
moedig waren. Daarom hielden ridders erecode. Tegenwoordig vind men de
betekenis nog steeds terug in de term ridderlijkheid.
Ridders en koningen hielden zich vaak bezig met de
jacht. Niet alleen voor het heelrijke eten maar ook om scherp te blijven
voor de strijd. Koningen reserveerden grote jacht gebieden zodat er
altijd genoeg te jagen viel. Er werden ook dieren ingezet tijdens de
jacht. En niet alleen de paarden waarop de "jagers" reden. Vooral honden
werden veel gebruikt hiervoor. Maar ook werd er gejaagd met valken. Dit
was echter niet zo eenvoudig. Want het africhten van de valk koste veel
tijd en geduld want eerst moest er een hechte band zijn met de vogel en
de valkenier voordat er gejaagd kon worden samen. Deze hechte band
verkreeg men door het dier veelvuldig op de hand te dragen. Tijdens dit
afdragen werd de valk ook geleerd om te eten op de hand. Als het eten
vanaf de hand goed ging dan kon men oefenen met het op de hand landen.
Normaal zit de vogel vast aan een speciale lange lijn, ook wel creance
genoemd, tijdens het afdragen. Als na lange tijd de valk en valkenier
een hechte band hadden dan kon men gaan oefenen met jagen. Pas als de
oefeningen goed gingen dan kon men met deze valk pas jagen.

Heraldiek of wapenkunde is ontstaan in de vroege
middeleeuwen, om het gemakkelijk te maken elkaar te herkennen. Eerst
maakte ze doormiddel van kleuren duidelijk, bij welke groep ze hoorden,
maar later kwamen er afbeeldingen bij. Ridders, schildknapen, en
onderdanen droegen bepaalde symbolen en kleuren om iedereen uit elkaar
te houden. Na verloop van tijd was het erg ingewikkeld om alle tekens en
symbolen nog uit elkaar te houden, hiervoor riep men de Heraut in het
leven.
De heraut oefende vanaf de 12e eeuw functies uit met
betrekking tot;
- de oorlog (oorlogs- en vredeverklaring en maanbrieven
overbrengen),
- steekspelen (signaal tot de strijd geven),
- ridderschap (onderzoek van de titels en adelijke
rechten van ridders),
- heraldiek (opstellen van wapenschilden en genealogie)
Pas na zeven jaar assistent (persevant) werd men heraut om dan
ooit als hoofd van een groep herauten wapenkoning te worden.
Vanaf de 14e eeuw behoorden de herauten tot de vaste kern van
vorstelijke hoven.

|